Verhalenweb

Eigen kracht, hoe doe je dat?

Eigen kracht? Ja die term kent Inge Caljouw wel. Inge is rolstoelgebonden en woont in een aangepaste woning in de Vlissingse binnenstad. ‘Ik heb een goed netwerk. Mijn ouders wonen in de buurt, ik heb vrienden die me kunnen helpen en woon in een hele sociale straat met buren die écht voor elkaar klaar staan.’

‘Bij eigen kracht moet je zoveel mogelijk zelf regelen zonder een beroep te doen op de gemeente’, legt Inge uit. ‘Ik merk wel dat daar steeds meer op gestuurd wordt. Dat is niet altijd leuk. Mijn uren voor huishoudelijke hulp zijn pas verminderd omdat strijken en boodschappen doen niet meer vergoed worden. Dat moet ik nu aan mijn moeder vragen. Verder moet ik mijn aangepaste auto inleveren van het UWV, omdat ik te weinig betaalde uren werk. De aanpassingen aan een auto kosten al gauw € 15.000. Daar komt de aanschaf van de auto zelf dan nog bovenop. Dat bedrag schud ik niet zomaar even uit mijn mouw. Ik krijg wel taxivergoeding als compensatie, maar het beperkt me enorm in mijn vrijheid. Ik werk maar vier uur per week betaald, maar doe daarnaast nog veel vrijwilligerswerk. Dat is vaak buiten Walcheren, daarvoor heb ik echt een auto nodig. Momenteel bekijk ik of ik de auto die ik nu heb, kan overnemen. Maar ook dat is niet goedkoop.’

Kwartje gevallen
Vier uur per week is Inge in dienst bij TWZ en werkt ze voor de Vlissingse bibliotheek: ‘Ik schrijf stukjes voor de website Jong. Verder geef ik voorlichting op middelbare scholen, dat doe ik vrijwillig. Ik vertel dan hoe het is om te leven met een beperking. Vaak kunnen jongeren zich niet voorstellen dat ik ook elk weekend met vriendinnen in het café te vinden was op hun leeftijd. Mensen vinden je vaak zielig als je een beperking hebt. Maar de meeste mensen met een beperking willen zo écht niet gezien worden. Die boodschap probeer ik op de jongeren over te brengen. Ik vind het mooi om te zien dat zo’n klas aan het eind van de les een stuk opener is, dan is het kwartje gevallen.’

De dinsdag is van Koen
‘Waar vreemden ook vaak van staan te kijken, is dat ik elke dinsdag op Koen pas, het zoontje van een vriendin. Al sinds hij vier maanden oud is. Inmiddels is hij 3 en het gaat hartstikke goed. De dinsdag is van Koen, daar zet ik echt alles voor op zij. Soms kan het natuurlijk niet doorgaan. Als ik bijvoorbeeld naar het ziekenhuis moet voor onderzoek, of als ik gewoon geen energie heb of teveel last van mijn nek. Ik vind het heel erg als het niet door kan gaan, maar meestal kunnen we er wel een mouw aan passen. Dan komt hij maar heel even of op een andere dag. Koen past zich ook prima aan bij mijn beperkingen. Zo is hij inmiddels voor mij te zwaar om op te tillen. Dat weet hij. Toen hij nog niet zindelijk was, ging hij zelf op het aankleedkussen liggen voor een schone luier. Zou hem niet meer kunnen missen!’

Verschillen
‘Ik red het prima met de hulp van de gemeente en mijn eigen kracht. Maar dat geldt niet voor iedereen. Veel mensen hebben niet zo’n goed netwerk als ik en ook niet iedereen weet de weg naar instanties te vinden. Ik hoop dat de gemeenten dat beseffen. Het is belangrijk dat ze die groepen goed in beeld hebben en daar extra aandacht aan besteden. Ik ben ook secretaris van de Sportclub Gehandicapten Goes. Die club is heel belangrijk voor de leden. Voor de sociale contacten en natuurlijk de lichamelijke inspanning. Maar we helpen elkaar ook bij het vinden van de weg naar instanties. Lastig is wel dat de regels in elke gemeente weer anders zijn. Wat in Vlissingen verbeterd is, is dat je vroeger te maken had met heel veel verschillende instanties. Nu is er één WMO-loket bij de gemeente waar je met al je vragen terecht kan, erg prettig!’